Spring naar inhoud


Ongelijkwaardige passies

Beatrijs Ritsema

Behalve vaders en zonen is er geen klassiekere relatie denkbaar dan die van de professor en zijn studente. Het thema inspireert tot literatuur, vanaf de brieven van Abélard en Heloïse tot en met 'De wetten' van Connie Palmen. Het is een ijzersterk onderwerp, niet alleen omdat het zoveel dynamiek met zich meebrengt, maar vooral ook omdat het in de werkelijkheid zoveel voorkomt. Wat maakt verhoudingen tussen leermeesters en jonge meisjes aantrekkelijker om over te schrijven dan, laten we zeggen, affaires van directeurs en secretaresses of dokters en verpleegsters? Dat heeft met vloeiendheid van grenzen te maken: een professor kan vrij makkelijk in de sociale wereld van een studente doordringen (en andersom), maar een chirurg zal niet snel gaan rondhangen bij de tennisclub van zijn geliefde verpleegster (en andersom ook niet). Door deze geringe manoeuvreerruimte blijven de affaires van dokters, zakenlieden met hun ondergeschikten veroordeeld tot de pulpliteratuur, waarin het alleen draait om: krijgen ze mekaar wel of niet.

Dan gaat het er onder professoren en studentes een stuk interessanter aan toe, niet alleen in fictie, maar ook in de werkelijkheid. Van flirterige gebbetjes tot beslissende wendingen in het leven is alles mogelijk: geheim of juist openlijk, intellectueeel-platonische verhoudingen met een vleugje verlangen voor de sjeuïgheid, seksuele monomanie, overspel op echtbrekersniveau, echte liefde of instrumentele verleiding. Elke onderwijsinstelling, waarvan de leerlingen niet meer gebukt gaan onder de last van minderjarigheid is een speeltuin van de liefde en de universiteit is de grootste speeltuin van allemaal.

Niet iedereen heeft hier waardering voor getuige bijvoorbeeld het sinds enige tijd aan de Harvard-universiteit geldende verbod op relaties tussen docenten en studenten. Dit betekent geen cafébezoek, althans niet getweeën, geen huisbezoek, laat staan alles wat er zich nog meer kan voordoen. De bedoeling van deze regels is de studentes (want om hen gaat het, al geldt het verbod ook homoseksuele verhoudingen tussen staf en studenten) te beschermen tegen ongewenste intimiteiten van machthebbers. Het cliché van de oude bok en het groene blaadje krijgt op die manier monsterachtige proporties: 'Als ik niet met je naar bed mag, laat ik je zakken voor je tentamen,' aldus de professor tegen zijn studente. Deze categorie van onrecht wordt bezworen door de nieuwe verbodsbepalingen, maar tegelijkertijd wordt de weg geëffend voor een verwante vorm van chantage. Studente tegen professor: 'Als u mij geen hoger cijfer geeft, vertel ik de autoriteiten dat u mij probeerde te zoenen.'

Dit laatste voorbeeld is misschien wat extreem in de zin van dat zoiets niet zo snel zal voorkomen, maar dat geldt ook voor de professor die de studente in de tang neemt. Hoe ongelijkwaardig zulke relaties er ook uit mogen zien, ze zijn bijna altijd vrijwillig. Het is verleidelijk om het meisje te projecteren in de rol van weerloos slachtoffer, dat haar jeugd en onschuld vergooit aan een op sex beluste, pathetische ouwe man die in het tumult van zijn midlife crisis zijn handen niet kan thuishouden. Zo'n visie dringt zich althans gauw op aan bijvoorbeeld de handenwringende ouders van het meisje. Maar zo eenvoudig zijn de machtsverhoudingen niet verdeeld. Dit is nu net het verschil tussen een manager die een stiekeme verhouding begint met een secretaresse en een professor die het aanlegt met een studente. In het eerste geval worden sex, liefde en bontjassen uitgewisseld, in het tweede geval sex, liefde en wetenschap. Een secretaresse met een paar dure juwelen blijft secretaresse, maar een studente met meer kennis kan professor worden.

Dat studentes zich vaak aangetrokken voelen tot hun docenten past in de lijn dat vrouwen van hun partners meer autoriteit en status (en lengte en leeftijd) verwachten dan zij zelf bezitten. Dit is een ervaringsfeit, maar het wil niet zeggen dat vrouwen uit zijn op een ondergeschikte positie. Ze willen wel degelijk gelijkwaardigheid – op den duur, nadat ze er flink wat werk in gestoken hebben.

Het is me vaak opgevallen hoeveel moeite meisjes (vooral studentes) er voor doen om een beetje beslagen ten ijs te komen tegenover degene met wie ze een verhouding hebben, of willen hebben. Voorbeeld: Anja is verliefd op Bob die van country & western houdt en op een motorfiets rijdt. Binnen de kortste keren kent Anja alle ins en outs van de country-muziek en gaat ze op voor haar motor-rijbewijs. Elly weet niet precies waar ze haar scriptie over zal schrijven. Dan komt ze op een feestje professor Henk tegen die haar begeestert met zijn warme blik en zijn kikker-onderzoek. Vijf jaar later is Elly zowel afgestudeerd als gepromoveerd op kikkers en hoort ze tot de internationale top-tien van kikkerkundigen. Allemaal uit liefde voor Henk, wat niet wil zeggen dat ze er intussen zelf geen plezier in heeft gekregen. Bij veel vrouwen ligt een persoonlijke betrokkenheid aan de wortel van hun latere bezigheden of deskundigheid. Zelf heb ik vroeger vanwege een vluchtige passie een jaar lang teksten van Marx en Lenin doorgenomen. Elke zondagavond vanaf acht uur discussiebijeenkomst. Het informele gedeelte begon om half twaalf. De liefde kwam nooit van de grond, maar dat leek me geen correct argument om met de scholing op te houden. Nog erger dan toegeven dat je er om de verkeerde reden mee begonnen bent. Hoe dan ook, er zijn kwalijker tijdpasseringen denkbaar dan het analyseren van Marxistische teksten, en het is altijd handig om er iets van af te weten.

Jonge vrouwen doen dat soort dingen: de hele Russische bibliotheek van Van Oorschot doorlezen omdat het object van hun liefde 'De gebroeders Karamazov' zo'n mooi boek vindt, een racefiets kopen en er ook echt mee fietsen omdat hun vriendje dat ook doet. Andersom komt dat veel minder voor. Je hoort zelden van jongens dat ze ineens alles van muziek willen weten, omdat hun vriendinnetje zo goed piano speelt. Vrouwen annexeren schaamteloos in naam van de liefde en identificeren zich ruimhartig met de ander. Mannen vinden dat vleiend en laten zich de bewondering gewillig aanleunen, maar ze voorzien niet dat leerlingen vaak boven hun leermeesters uitgroeien. De jonge studente, met liefde en zorg opgekweekt, kan het dan ineens geheel op eigen kracht. De professor, intussen echt oud geworden, blijft eenzaam achter. Wie jeugd als tegenspeler heeft, verliest uiteindelijk.

Artikelen in NRC-column.


0 reacties

Blijf op de hoogte, abonneer je op de RSS feed voor reacties op dit artikel.



Sommige HTML is toegestaan