Spring naar inhoud


Het falen van de meritocratie

Meer dan allerlei andere menselijke eigenschappen wordt intelligentie met omzichtigheid benaderd. Dat er individuele verschillen bestaan in intelligentie ontkent niemand, maar zodra het gaat over de oorzaken van die verschillen, betreedt men gevaarlijk terrein. De grote discussie uit de jaren zeventig over de invloed van erfelijkheid en milieu op intelligentie is daar het beste voorbeeld van. In die tijd werd het pleit beslecht ten gunste van de omgeving. Wetenschappers die argumenteerden dat het vooral een kwestie van erfelijkheid was werden gelijkgeschakeld met fascisten.

Er bestonden twee soorten kritiek op de aanhangers van de erfelijkheids-visie: intelligentie is iets anders (vooral breders) dan wat een IQ-test meet, en de feitelijke sociale ongelijkheid zelf. Als het opgroeien in onaangename omstandigheden van invloed is op de hoeveelheid geld die iemand later verdient, zijn uiteindelijke maatschappelijke status, zijn culturele bagage en zijn omgangsvormen, waarom dan niet op zijn intelligentie?

In hun boek 'The Bell Curve' slaan Charles Murray en Richard Herrnstein alle sinds de jaren zeventig zorgvuldig in stand gehouden taboes over intelligentie aan diggelen onder plichtmatige spijtbetuigingen, die leedvermaak doen vermoeden. Murray zelf (Herrnstein is enige maanden geleden overleden) sprak in een interview met The New York Times provocerend over 'wetenschappelijke pornografie'.

Het boek is een amalgaam van grafieken en tabellen (heel veel analyses van statistisch materiaal), Amerikaanse sociale geschiedenis en de trends daarin, en beleidsaanbevelingen met een niet mis te verstane politieke agenda. Het heen en weer springen tussen de met brede streken geverfde maatschappijanalyses en de vaak extreem gedetailleerde statistieken geven een gevoel van duizeligheid. Zo'n overstelpende hoeveelheid bewijsmateriaal lijkt het wetenschappelijke equivalent van 'the lady doth protest too much'.

De grote lijn van het boek is niet nieuw en ook nauwelijks controversieel: in steeds sterkere mate heeft Amerika de idealen van de meritocratie gerealiseerd. Het principe van de meritocratie is dat elk individu de kans moet krijgen om zichzelf zo goed mogelijk te ontwikkelen, zodat hij een optimaal leven voor zichzelf kan creëren. Schaarse talenten worden daarbij beter gehonoreerd dan minder schaarse. Intelligentie was altijd al belangrijk voor slagen in het leven, maar het is in de loop van de 20ste eeuw alleen maar belangrijker geworden. Tachtig jaar geleden gingen uitsluitend kinderen van de elite studeren. De rigiditeit van de klassestructuur werd op een gegeven moment niet meer in overeenstemming geacht met de Constitutie die immers het recht waarborgt voor iedereen op 'the pursuit of happiness'. Ook slimme kinderen uit niet-elitaire milieus moesten kunnen gaan studeren. En dat gebeurde dan ook. Voor zover intelligentie evenredig verdeeld was over alle lagen van de bevolking vond er een overheveling plaats van beneden naar boven. De slimmen vertrokken (en vertrekken nog steeds) om zich een plaatsje te verwerven bij de machtige cognitieve elite. De dommen blijven achter in steeds troostelozer omstandigheden.

Op dit punt doet zich de invloed van erfelijkheid op intelligentie gelden. Was het vroeger zo dat huwelijken meestal binnen de eigen sociale klasse werden gesloten, dat gebeurt nog steeds. Het verschil is dat intelligentie en sociale klasse steeds zwaarder zijn gaan correleren. Meer dan ooit trouwen de dommen met elkaar en de slimmen met elkaar, omdat de lagere klassen ontdaan zijn van hun slimme individuen en omdat er sinds de vrouwenemancipatie meer waarde wordt gehecht aan een vergelijkbaar intelligentieniveau tussen partners. Slimme mannen willen eigenlijk geen domme vrouwen meer en slimme vrouwen willen al helemaal geen domme mannen. De kloof tussen de cognitieve elite en de onderklasse wordt aldus steeds groter en de invloed van erfelijkheid neemt toe omdat de variatie tussen personen binnen een groep geringer is. Als dit proces niet tot staan gebracht wordt, zo waarschuwen de schrijvers, zal de steeds machtiger wordende cognitieve elite wettelijke maatregelen doordrukken om de onderklasse definitief af te schrijven en te interneren in indianenreservaten nieuwe stijl. Pro forma zal de staat hen onderhouden, maar ontsnapping naar zelfstandigheid zal nauwelijks meer mogelijk zijn.

In de onderklasse in Amerika komt een enorme hoeveelheid sociale problemen samen: buitenechtelijke kinderen, afhankelijkheid van bijstand, drugs, misdaad en geweld. De vraag die Murray en Herrnstein zich stelden is hoe belangrijk de rol van intelligentie is binnen het totaal van op elkaar inwerkende factoren. Ze maakten gebruik van de National Longitudinal Survey of Youth (NLSY), een landelijk representatieve steekproef van 12686 personen die in het jaar 1979 tussen de 14 en 22 jaar oud waren en sindsdien jaarlijks gevolgd zijn. Deze dataset leverde gegevens over variabelen als opleiding, inkomen, beroep, werkloosheid, burgerlijke staat, aantal kinderen, contact met justitie, alsmede een IQ-score. Een dergelijk onderzoek kan geen definitieve oorzaken aangeven, omdat er geen sprake is van onafhankelijke variabelen die door de onderzoeker gemanipuleerd worden. Men werkt met correlaties en de techniek is de regressie-analyse of een variant daarvan. Door middel van een regressie-analyse kan bepaald worden in hoeverre een bepaalde variabele, bijvoorbeeld scholing, een andere variabele, bijvoorbeeld inkomen, voorspelt. In regressie-analyses kunnen ook meerdere variabelen tegelijk bekeken worden, bijvoorbeeld de relatieve invloed van scholing, leeftijd en IQ op inkomen. De verkregen correlatie-coëfficiënten kunnen dan geherformuleerd worden in termen van de kans dat variabele A leidt tot variabele B.

Murray en Herrnstein storten een onafzienbare reeks van regressie-analyses over de lezer uit, waaruit telkens weer blijkt dat IQ een sterkere invloed heeft dan allerlei andere minstens zo plausibele variabelen. Een paar voorbeelden: IQ legt meer gewicht in de schaal bij het voorspellen of een vrouw een buitenechtelijk kind krijgt dan sociaal-economische status. Gegeven een vrouw van gemiddeld IQ (100). De kans dat zij een buitenechtelijk kind krijgt is 8 % wanneer zij een hoge SES heeft en 19 % wanneer zij een lage SES heeft. Wordt de SES-score constant gehouden op gemiddeld niveau, dan heeft een vrouw met een hoog IQ 4 % kans op een buitenechtelijk kind, en een vrouw met een laag IQ 34%.

Eenzelfde verband geldt voor IQ, ouderlijke SES en misdaad. Een laag IQ voorspelt beter of een jongeman in aanraking komt met de politie dan een lage ouderlijke SES. Afkomst uit een gebroken of eenoudergezin brengt ook een grotere kans op het plegen van criminaliteit met zich mee. Maar dit verband is zwakker dan het verband tussen laag IQ en misdaad. Een jongeman uit een gebroken of eenoudergezin (met IQ en SES constant gehouden op gemiddeld niveau) heeft 4 % kans op gevangenisverblijf. Vervang het gemiddelde IQ door een IQ in de onderste 2 % regionen en de kans op gevangenisverblijf stijgt van 4 naar 22 %. Vervang daarentegen de gemiddelde SES door een SES in de onderste 2 %, dan stijgt de kans op gevangenisverblijf van 4 naar 5 %.

Al deze verbanden zijn berekend op grond van de gegevens van blanken uit de NLSY. Voor zwarten geldt in principe hetzelfde verhaal, alleen veel erger omdat hun gemiddelde IQ 15 punten onder dat van blanken ligt. Van alle bevindingen in The Bell Curve is deze de meest pijnlijke, die ook de crux van het nationale debat vormt dat in de media wordt gevoerd.

Critici van The Bell Curve betwisten de auteurs niet zozeer de waarachtigheid van het verschil in IQ-scores, als wel de betekenis en consequenties ervan. Dat het gemiddelde zwarte IQ 85 is, tegenover het gemiddelde blanke van 100 en het gemiddelde Aziatische (Japanners, Chinezen en Koreanen) van 103 schijnt al jaren bekend te zijn – al was het voor mij nieuw, zeker de grootte van het verschil. 15 IQ-punten is niet niks, dat is zo'n beetje het verschil tussen voorheen de LTS (85-), Mavo (95-105) en VWO (115+).

Om de betekenis van de verschillen te begrijpen moet eerst de vraag gesteld worden of IQ hetzelfde is als intelligentie. Hier valt geen definitief antwoord op te geven. Men kan vele definities voor intelligentie verzinnen. Te denken valt aan: probleemoplossend vermogen, het vermogen om hoofd- en bijzaken van elkaar te onderscheiden, de snelheid waarmee ingewikkelde taken tot een goed einde worden gebracht. Maar om mensen met elkaar te kunnen vergelijken is er een meetinstrument nodig, dus valt men altijd terug op een batterij tests die de verschillende aspecten van intelligentie (geheugen, logisch denken, puzzeltjes oplossen, concentratie, ruimtelijk inzicht en nog een paar meer) kwantificeren en onder een noemer (de IQ-score) brengen.

Tegen deze gang van zaken kan aangevoerd worden dat het losgezongen is van de vrijzwevende intelligentie, zoals die in het dagelijks leven voorkomt. Misschien is dat waar. Aan de andere kant betekent een IQ-score wel degelijk iets. Op de universiteit wordt een gemiddelde van 120 aangetroffen. Wie daar vijftien punten onder zit, loopt een gerede kans op problemen met de studie.

Een verwant bezwaar tegen de gelijkschakeling van IQ met intelligentie is de theorie van Howard Gardner over de veelvormigheid van intelligentie. Naast de klassieke aspecten van verbale en mathematische begaafdheid onderscheidt hij kunstzinnige, lichamelijke en sociale begaafdheid. Het idee is dat goed kunnen dansen, voetballen, viool spelen of charmeren ook onder intelligentie valt. Als het gaat om de waardering van begaafdheden valt zeker iets voor deze benadering te zeggen. Maar met het proppen van al deze begaafdheden onder dezelfde intelligentieparaplu dijt het begrip uit tot oeverloosheid. Iedereen heeft wel een bepaalde begaafdheid, en als je dat afspreekt, kun je dat intelligentie noemen, maar meer dan een frase is het niet. Zelf heb ik wel vrede met de IQ-score als operationalisatie van intelligentie. De metingen zijn betrouwbaar over de tijd heen: een kind van 10 haalt dezelfde score als het 18 is en ook als het 45 is geworden. En de metingen zijn redelijk valide: IQ-scores hebben een tamelijk hoge voorspellende waarde voor schoolsucces, al blijven het statistische verbanden, dat wil zeggen dat de uitspraken voor een groep opgaan en dat elk individu daarvan kan afwijken. De beste illustratie van de beperkte waarde van een correlatie vormt de Mensa-vereniging van hoogbegaafden (de top 2 % van IQ-scores). Deze club schijnt notoir vol te zitten met taxichauffeurs, obers en veehouders. Of Mensa een waarachtige afspiegeling is van alle hoogbegaafden is de vraag – het lijkt heel goed mogelijk dat de maatschappelijk zeer-geslaagden weinig behoefte hebben aan een club met IQ als grondslag. Misschien gaat zo iemand liever bridgen in zijn vrije tijd. Er zijn tenslotte in het leven nog wel meer dingen belangrijk dan IQ.

Als de relatie IQ-intelligentie aanvaard wordt, doemt het volgende probleem op: hoe de verschillen tussen zwart en blank te verklaren? Aan de externe validiteit (hoe goed voorspelt IQ schoolsucces of inkomenssucces?) ligt het niet. Een IQ-test is niet op zo'n manier vooringenomen tegen zwarten dat hij hun succes onderschat of hun falen overschat. Belangrijker is de mogelijkheid van een gebrekkige interne validiteit van IQ-tests voor zwarten. Als er bijvoorbeeld woorden als 'regatta' of 'oarsman' in voorkomen, dan scoren zwarten minder omdat zij die woorden niet tegenkomen, als ze in armoede opgroeien. Deze onderdelen van de IQ-test, die vooral de verbale component meten, zijn niet 'culture-free'. Volgens Murray en Herrnstein klopt deze kritiek niet. Zij concluderen dat het verschil tussen zwarten en blanken in IQ-scores kleiner is op de cultureel geladen subtests dan op de cultureel neutrale subtests als kubusjes vouwen of cijferreeksen herhalen.

Alle IQ-subtests correleren met g. G is zowel de mythische, vrijzwevende intelligentie die elke afzonderlijke subtest probeert te benaderen, als een statistisch artefact dat uit de scores omhoog drijft. Er wordt iets gemeten, maar het is niet helemaal duidelijk wat, omdat er een extern kriterium ontbreekt. Schoolsucces, maatschappelijke status, een hoog inkomen zijn allemaal afgeleide variabelen. Er is niets wat de zuivere intelligentie bij haar kladden kan grijpen. Behalve dan g, wat in zekere zin een door de computer gegenereerd spook is. Maar er valt wel weer mee te rekenen. En dan blijkt dat bepaalde tests waar geen woorden bij te pas komen in het algemeen een hogere lading op g hebben, dat wil zeggen dat ze de uiteindelijke IQ-score beter voorspellen. Een voorbeeld van een cultureel-neutrale subtest is het herhalen van cijferreeksen. De proefleider leest vier cijfers op, de proefpersoon herhaalt ze. Dan vijf, zes, zeven cijfers, enzovoort tot er fouten worden gemaakt. Vervolgens komen er weer cijferreeksen van opklimmende lengte, maar dan moet de proefpersoon ze in omgekeerde volgorde herhalen. Deze tweede subtest heeft een hoge lading op g. Als zwarten juist door cultureel-geladen subtests benadeeld worden, zou hierbij het verschil met blanken miniem moeten zijn, maar het is juist groter dan op bepaalde cultuurgebonden subtests.

Blijft over het punt van de motivatie. De redenering luidt dat zwarten geen zin hebben om zich aan dit soort vernederende of ver van hun bed staande, vaak door blanken geënsceneerde procedures te onderwerpen en er welbewust met de pet naar gooien. Ook dit wordt door Murray en Herrnstein ontzenuwd met verwijzing naar diezelfde cijferreeksen-test. Bij het herhalen van cijferreeksen in omgekeerde volgorde (hoge g-lading) is het verschil tussen zwarten en blanken twee keer zo groot als bij het gewoon herhalen (lagere g-lading). Waarom zou motivatie wel bij de ene en niet bij de andere subtest een rol spelen?

Tot dit punt in het boek valt er eigenlijk weinig tegen de redenering in te brengen, tenzij je de cijfers zelf wilt ontkennen, maar voorlopig neem ik aan dat er geen data-falsificatie heeft plaatsgevonden. Anders wordt het wanneer de schrijvers overstappen naar de oorsprong van de IQ-verschillen en hier vergaande conclusies aan verbinden. Ze stellen dat de invloed van erfelijkheid op IQ tussen de 40 en 80 % ligt. Zelf houden ze het op een veilige 60 %. Daarin wijken ze niet af van gangbare ideeën onder wetenschappers. Dit laat altijd nog een marge van 40 % over voor de invloed van de omgeving. Murray en Herrnstein erkennen dit, maar zeggen er meteen bij dat intelligentie in wezen intractable, ofwel niet te beïnvloeden is. Om deze stelling te bewijzen voeren ze de mislukking aan van allerlei compensatie- en bijspijkerprojecten in Amerikaanse binnensteden. De bekendste hiervan is Head Start voor kinderen tussen 3 en 5 (loopt al sinds eind jaren zestig) en een ander veel intensiever programma heet Abecedarian, waarin kinderen uit de doelgroep vanaf 3 maanden tot zes jaar acht à tien uur per dag onder de pannen zijn in een stimulerend soort crèche. Deze programma's leveren wel IQ-winst op, maar de effecten raken over de jaren verloren. Bij Head Start treedt de fade-out al vrij snel op, na een jaar of twee; bij Abecedarian duurt het wat langer, maar ook voor die kinderen is het op een gegeven moment back to normal.

Volgens Murray en Herrnstein betekent de fade-out dat dit soort programma's boter aan de galg zijn. Ze helpen immers niets. Maar je zou met evenveel recht kunnen zeggen dat verrijkingsprogramma's blijkbaar werken zolang ze lopen, en dat je ze dus moet verlengen in plaats van afschaffen. In het licht van de Amerikaanse problemen met de onderklasse (waar ook een weigerachtige belastingbetaler bij hoort) natuurlijk een absurd duur idee, maar dat is de conservatieve waarheid achter de intractability van intelligentie: het is te duur.

Er zijn trouwens veel andere onderzoekers, die weliswaar de fade-out van de IQ-winst erkennen, maar toch claimen dat er wel degelijk significante lange-termijn-effecten optreden: deelnemers aan Head Start of een variant daarop halen vaker een high school diploma, zijn minder werkloos, krijgen minder vaak buitenechtelijke kinderen en komen minder in de gevangenis dan degenen die het zonder stimuleringsprogramma's moesten doen.

Met het losjes van de tafel vegen van de compensatieprogramma's gaan de schrijvers, ondanks hun met de mond beleden 40 % invloed van de omgeving, voorbij aan de enorme invloed die een bepaalde cultuur kan hebben op de intelligentie van een groep. De facto vallen ze voortdurend terug op de erfelijke component, iets wat op den duur irritatie wekt. In hun statistische exercities wordt de omgeving,steeds teruggebracht tot SES-variabelen. Maar een cultuur is meer dan dat – die doortrekt het hele dagelijkse leven. De cultureel-antropoloog John Ogbu (geciteerd in The Bell Curve) trof soortgelijke IQ-verschillen als tussen zwart en blank in Amerika aan bij de kaste der onaanraakbaren in India, de Buraku in Japan en Sefardische joden in Israel. Onderdrukt worden is blijkbaar niet goed voor de intelligentie.

Worden zwarten dan nog steeds onderdrukt in Amerika? Deze variabele speelt geen rol in Murray en Herrnstein's betoog (toegegeven, valt ook moeilijk te kwantificeren), maar feit is dat, ondanks de gewonnen burgerrechten en emancipatie, ondanks ook de positieve actie-programma's van de regering, het nog steeds geen pretje is om zwart in Amerika te zijn. Iedereen kent het verhaal van de zwarte professor die, staande bij de ingang van een hotel, voor de liftboy wordt aangezien. En van de zwarte advokaat, die zich in zijn vrije tijd toch maar weer in z'n pak met das hijst om naar het café te gaan, omdat hij in een spijkerbroek door geen taxi wordt meegenomen. Geen enkele andere minderheid in Amerika heeft daar last van.

Murray en Herrnstein zien niets in de positieve actie-programma's die erop gericht zijn om meer zwarten aan de elite-universiteiten te krijgen. De helft van deze studenten bevindt zich in de onderste tien procent qua SAT-score (scholastic aptitude test, een verkapt soort intelligentie-test) van de blanke studenten en dat leidt tot onvrede en racisme op de universiteiten. Wat ze er niet bijschrijven is dat het om heel lage percentages gaat. Top-universiteiten als Berkeley en Yale krijgen met pijn en moeite 6 % zwarte studenten binnen (in Amerika is 12 % van de bevolking zwart). Traditioneel hebben deze universiteiten altijd plaatsen gegeven aan de 'kinderen van alumni'. In deze gevallen doen SAT-scores niet terzake, omdat de ouders belangrijke giften verstrekken aan hun alma mater. Zo belangrijk dat de universiteiten er gedeeltelijk financieel op drijven. Sommige studentenplaatsen zijn cadeautjes. Dat is altijd zo geweest. Waarom dan niet een paar cadeautjes gegund aan een bevolkingsgroep die er 400 jaar slavenbestaan op heeft zitten? Niet eens zozeer bij wijze van compensatie voor het leed van hun voorouders, als wel om mensen een kans te geven een kwalitatief hoogwaardig middenklassebestaan op te bouwen, dat als voorbeeld kan dienen voor andere zwarten en bovendien als gunstige voedingsbodem voor de intelligentie van hun nageslacht.

Dit soort overwegingen komt niet op bij de schrijvers van dit boek, terwijl de cijfers daar net zo goed aanleiding toe geven. Hun aanbevelingen concentreren zich op de erfelijke component van intelligentie. Omdat de omgeving zo slecht te beïnvloeden is (die drugs krijg je niet weg, de misdaad dus ook niet, er zijn geen banen te creëren voor mensen zonder opleiding) blijven in hun visie alleen drakonische maatregelen over als het afschaffen van de bijstand voor alleenstaande moeders. Bijstand lokt immers het krijgen van kinderen uit. Een vijftienjarige kan zich zelfstandigheid verwerven door een baby. Niet dat ze dit met voorbedachte rade doet, maar het is wel het effect. Omdat de generaties elkaar zo snel opvolgen – een vrouw van begin dertig kan al grootmoeder zijn – groeit de onderklasse sneller dan de cognitieve elite, die veel later in het leven kinderen krijgt. Het afschaffen van de bijstand komt neer op eugenetica: dam het aantal voor ellende voorbestemde, want met een laag IQ behepte kinderen in en de problemen zullen verminderen. Hoe verontwaardigd de columnisten en commentatoren zich ook betoonden over deze panacee, een groot deel van de Amerikanen is doodsbang voor de onderklasse, een angst die alleen overtroffen wordt door hun weerzin tegen belasting betalen. Met de recente Republikeinse verkiezingszege lijken die reservaten van Murray ineens erg dichtbij.

Hoe stabiel is intelligentie over de tijd?

IQ-scores van een persoon zijn in hoge mate stabiel over de jaren heen, maar per groep stijgen ze over de generaties, het zogenaamde Flynn-effect. En nog vrij fors ook. Gemiddeld zouden blanken van nu 15 punten hoger scoren dan blanken van twee generaties geleden, eenzelfde verschil dus als het huidige verschil tussen zwart en blank. Herrnstein en Murray schrijven deze groei vooral toe aan de omgeving: genen veranderen immers niet zo snel. Verbeterde voeding en medische zorg en meer scholing voor de bevolking als geheel zou van invloed kunnen zijn. Een andere factor zou kunnen zijn dat mensen steeds bedrevener worden in het invullen van tests, omdat het handwerk daarvan in de rest van de maatschappij steeds meer voorkomt. Multiple choice vragen, formulieren invullen, op knoppen drukken zijn veel meer aan de orde van de dag dan vijftig jaar geleden. Het voor kinderen beschikbare puzzelspeelgoed wordt ook steeds gevarieerder.

Het effect is aangetoond maar moet toch met een korreltje zout worden genomen. Niemand meent serieus dat het IQ van de gemiddelde Amerikaan in 1776 30 bedroeg of dat het over honderd jaar 150 zal zijn. In sommige landen is er ook al een plafond bereikt. Belangrijker is dat de verdeling hetzelfde blijft. Op zichzelf zegt het niet zo veel dat mensen van nu hoger scoren op de IQ-tests van vijftig jaar geleden. Bij een IQ-test ligt het bevolkingsgemiddelde per definitie op 100. Schuift het gemiddelde naar boven, dan schuiven de tests mee naar boven. Het is een paradox die het tautologische verband tussen intelligentie en IQ duidelijk maakt: een effect dat iedereen ondervindt is geen effect. Als iedereen slimmer wordt, wordt niemand slimmer.

Hoe wetenschappelijk is het begrip 'ras'?

Herrnstein & Murray hebben in hun onderzoek diegenen als 'zwart' aangemerkt die zichzelf zo omschreven. Dit is op zichzelf een goede methode, omdat er geen objectieve standaard bestaat om een individu aan een ras toe te schrijven. Nagenoeg alle zwarten in Amerika hebben blanken in hun voorgeslacht, soms lang geleden, vaak ook recent. Het gevolg is dat er redelijk wat zwarten bestaan die qua uiterlijk meer op blanken lijken: Colin Powell is een voorbeeld. Door deze rasvermenging wordt de klassificatie zwart of blank meer een sociale uitspraak dan een genetische. Dit verzwakt het belang dat aan erfelijke verschillen (bijvoorbeeld in intelligentie) tussen rassen gehecht kan worden. Er bestaan immers nauwelijks nog 'zuivere zwarten' en 'zuivere blanken' in Amerika.

Afgezien daarvan stellen andere onderzoekers (onder anderen de bioloog Stephen Jay Gould, de zoöloog Richard Lewontin) dat de genetische variatie binnen rassen enorm veel groter is dan tussen rassen. Afgezien van uiterlijke kenmerken als huid-, haar-, oogkleur en beharing, en afgezien van bepaalde erfelijke aandoeneningen als Tay-Sachs en sickle cell anemia, zijn er nauwelijks genetische codes in de DNA-opmaak te vinden die verbonden zijn aan een bepaald ras. Voor een smal kenmerk als oogkleur is een corresponderend gen te lokaliseren. Dat het ooit zou lukken om een fysiologisch substraat aan te wijzen voor een brede en veelvormige eigenschap als intelligentie lijkt weinig realistisch.

Beatrijs Ritsema

The Bell Curve

Intelligence and Class Structure in American Life

door Richard J. Herrnstein & Charles Murray

Uitgever: The Free Press, 845 p., $ 30

Artikelen in NRC-boekrecensies.


0 reacties

Blijf op de hoogte, abonneer je op de RSS feed voor reacties op dit artikel.



Sommige HTML is toegestaan